Maria Boodschap
Hoogfeest: woensdag 25 maart
gepubliceerd: maandag, 16 maart 2026

Het was een gewone dag in Nazaret, een klein, stoffig dorpje waar niets bijzonders gebeurde. Ik was alleen in huis, waarschijnlijk aan het werk met wol of brooddeeg - dat weet ik niet meer precies. Mijn gedachten waren bij Jozef, bij de bruiloft die eraan zat te komen, bij het gewone leven dat ik verwachtte.
Plotseling was er iemand. Niet door de deur, niet met voetstappen. Hij was er gewoon. Een licht, een aanwezigheid, een gestalte die menselijk leek maar toch niet helemaal van deze wereld. Hij sprak me aan met woorden die ik nooit eerder had gehoord:
“Wees gegroet, jij die genade hebt ontvangen, de Heer is met u.” (Lucas 1:28)
Ik schrok. Hevig. Mijn hart bonsde in mijn keel. Wat bedoelde hij? Wie was dit? Waarom richtte hij zich juist tot míj, een eenvoudig meisje uit Nazaret, verloofd maar nog niet getrouwd, niemand van betekenis? Ik probeerde te begrijpen wat die groet inhield. “Jij die genade hebt ontvangen”... dat klonk veel te groot voor mij.
Toen zei hij het: “Wees niet bang, Maria, want u hebt genade gevonden bij God.” (Lucas 1:30)
En daarna de woorden die mijn hele wereld op zijn kop zetten:
“Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen en gij moet Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven en Hij zal over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid en aan zijn koningschap zal geen einde komen.” (Lucas 1:31-33)
Ik voelde de grond onder mijn voeten wegzakken. Zwanger? Een zoon? Maar... ik ken geen man. Ik heb mij aan God toegewijd in maagdelijkheid - hoe kon dit dan? Mijn mond vormde de vraag bijna vanzelf:
“Hoe zal dat geschieden, daar ik geen man beken?”
Hij legde het uit, rustig, maar met een kracht die door alles heen ging:
“De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom zal het Kind dat geboren wordt heilig zijn en Zoon van God genoemd worden.” (Lucas 1:35)
En toen, alsof hij wist dat ik nog duizelde, voegde hij eraan toe: “Zie, ook Elisabet, uw verwante, heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen, en dit is de zesde maand voor haar die onvruchtbaar werd genoemd; want bij God is niets onmogelijk.” (Lucas 1:36-37)
Dat laatste raakte me diep. Elisabet. Onvruchtbaar genoemd. Ouderdom. En toch... leven. Als God dat kon, dan kon Hij alles. Ook dit onbegrijpelijke, onmogelijke in mijn leven.
Er viel een stilte. Een heilige stille. Alsof de tijd even ophield.
Ik voelde angst, verwondering, ontzag... maar ook iets anders. Een soort diepe vrede die vanbinnen groeide. Dit was geen droom. Dit was God die tot mij sprak. Tot mij. Persoonlijk. En Hij vroeg niet alleen iets van mij - Hij bood mij aan om mee te doen aan Zijn grootste plan.
Ik ademde diep in. En toen zei ik het. Met alles wat ik had:
“Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” (Lucas 1:38)
Op dat moment voelde ik iets... een aanwezigheid, een schaduw, een begin. Alsof de Geest van God werkelijk over mij kwam, zacht maar onmiskenbaar. De engel verdween. Het huis was weer stil. Maar ik was niet meer dezelfde.
Vanaf die seconde wist ik: mijn leven behoorde niet meer alleen aan mij. Er groeide iets in mij - niet alleen een kind, maar de belofte van redding voor de hele wereld. En ik had “ja” gezegd. Met beven, met verwondering, maar met heel mijn hart.
Dat was het moment waarop alles begon. Het feest dat de wereld later “Maria Boodschap” zou noemen. Voor mij was het gewoon... het ogenblik waarop God mij riep bij mijn naam, en ik antwoordde.
Maria